Beer wil een nieuwe neus

 

Beer zit op de kast. Hij is niet blij. Beer is het beste berenvriendje van Pieter. Pieter ligt in het bed naast de kast. Hij slaapt. Het is nacht.
De blauwe gordijnen in de kamer van Pieter hangen een klein beetje open. Dat heeft Pieter gedaan, om naar de sterren te kijken. Net voordat hij ging slapen. Net nadat moeder naar beneden ging. Pieter knuffelde met moeder, keek naar de sterren, en pakte toen Aap van de kast, om samen mee te gaan slapen.

Nu fonkelt het sterrenlicht in de droevige ogen van Beer. Beer is niet blij. Aap wel. Aap ligt lekker bij Pieter in bed. Beer ziet hoe Pieter in zijn slaap sabbelt aan de dikke vilten neus van Aap. Beer denkt eens diep na. Het bromt en het gromt in zijn bruine berenhoofd, zo erg zit hij te denken. Hij denkt aan vroeger. Vroeger was hij blij. Vroeger werd hij elke avond van de kast gepakt. Dan lag hij naast Pieter onder de blauwe lakens, en voelde hij na een tijdje hoe Pieter sabbelde aan zijn neus.
Terwijl Beer zo zit te denken wordt hij vanzelf alweer een beetje blijer. Wat was het fijn in bed bij Pieter! Dat zijn neus steeds een beetje meer kapot ging van al dat gesabbel, dat vond Beer niets erg. Maar nu zit Beer op de kast, en zijn neus is helemaal weg. Opgesabbeld! Er hangen alleen nog wat bruine rafels aan zijn berensnuit. Beer wil in bed. Maar daar ligt Aap. En Pieter sabbelt in zijn slaap aan de neus van Aap, zijn allerbeste Apenmaatje. ‘Wacht jij maar, Aap! Nog even en dan heb jij ook geen neus meer!’ Beer bromt en gromt op zijn kast, maar Aap luistert niet. Die ligt daar maar, lekker bij Pieter. Beer zit naar Aap te kijken. Hij is niet blij, en hij wordt nu zelfs een beetje boos! Hij is boos op Aap. Omdat die daar zo lekker ligt, met zijn rare apenneus. Naast Beer op de kast liggen houten blokken. Beer wordt steeds bozer. Op het laatst is hij zo boos dat hij wel een van de blokken wil gooien naar Aap. Maar dat doet hij niet. Wat als hij Pieter zou raken! Nu schaamt Beer zich. Boos is hij al niet meer. Die arme Pieter, bijna een blok op zijn hoofd gekregen van een domme boze Beer. Een Beer die zo graag wil knuffelen.
Beer kijkt maar weer eens naar buiten, in de nacht. De sterren zijn wel mooi, glinsterende vonkjes in het donker. Beer wordt er vanzelf alweer een beetje blijer van. Als hij nu toch maar weer een goeie neus had. Eentje waar kleine jongens lekker aan kunnen sabbelen! Op dat moment valt er een sterretje zomaar naar beneden. Het vonkje wordt een gouden streep in de lucht. Sommige mensen zeggen dat je dan een wens mag doen, als dat gebeurt. Daar weet Beer niets van. Hij zit op de kast en kijkt naar de lucht. Hij is maar een heel klein beetje blij. Even later gaat de deur van de kamer heel zachtjes open. Moeder komt naar binnen.

Ze loopt heel zachtjes naar het bed van Pieter. Daar ziet ze hoe Pieter ligt te slapen, en ze ziet Aap die naast Pieter ligt, met zijn neus helemaal verstopt in Pieters mond. ‘He bah,’ zegt moeder. ‘Zo gaan alle neuzen stuk.’ Voorzichtig haalt ze Aap uit het bed. Ze wil Pieter niet wakker maken. Voor het raam, in het licht van de sterren kijkt ze Aap eens goed aan. ‘Nou, dat kan niet lang meer duren,’ zegt ze als ze de dunne neus ziet van Aap. Maar, ik weet er wel iets op, denkt moeder dan. En met Aap onder haar arm gaat ze de kamer weer uit. Beer zit op de kast. Hij kijkt naar Pieter in het bed naast de kast. Pieter zuigt nu op zijn duim. Wat zal moeder gaan doen met Aap? Beer weet het niet.

Beer ziet de lege plek naast Pieter. Vanzelf begint hij een beetje te wiebelen. Naar voren en naar achteren gaat zijn dikke berenbuik. Eerst zachtjes, dan steeds harder. PLOF! Daar ligt Beer. Precies naast Pieter bommelde hij zo het bed in! Pieter draait zich om in zijn slaap. Dan pakt hij Beer vast en drukt hem stevig tegen zich aan. Wat is Beer blij! Maar wat is dat nu? Weer gaat de kamerdeur heel zachtjes open. Moeder komt heel zachtjes binnen. Ze heeft Aap in een hand. Oh nee, wat doet ze nu? Ze pakt Beer op en legt Aap in het bed bij Pieter! Aap met een nieuwe neus van leer.
‘Nee nee!’ Beer wil wel brullen. Heel hard brullen en spartelen. Maar dat gaat niet. ‘Kom jij ook gelijk maar mee,’ zegt moeder. En daar gaat Beer, onder moeders arm, naar beneden. Beer zit op de kast naast Aap. Het is de volgende dag. Ze kijken naar elkaar en zien de glimmende nieuwe neuzen. Mooie sterke neuzen van leer.
Allebei zijn ze blij. Ze hebben samen bij Pieter geslapen. Ieder aan een kant van het blauwe kussen. En Pieter? Die draait zich ’s nachts altijd honderd keer om!

(1229)

Post navigation