Een monster met een kaboutermuts

 

Er zit een monster in bad. Alleen Janus kan hem zien. Moeder zegt dat het niet waar is. ‘Monsters bestaan niet,’ zegt ze dan. Janus weet zeker dat het monster echt bestaat. Hij ziet het toch zeker zelf! Pappa zegt dat Janus zich niet aan moet stellen.

Mamma wil dat Janus elke dag in bad gaat. Janus houdt zijn puntmuts op in bed. Dan lijkt hij groter. Misschien durft het monster hem dan niks te doen. Moeder vindt het wel lastig. Als zijn haren gewassen moeten worden, tilt ze zijn muts op, wast zijn haar en zet gelijk de muts weer op. Nu wil Janus helemaal niet meer in bad. Het monster wordt steeds groter. Als mamma in het water kijkt, verstopt het monster zich. In het afvoerputje. Janus vindt het monster enger als die zich verstopt heeft.

‘Janus, in bad,’ zegt moeder. ‘Nee!’ roept Janus hard. Moeder wordt nu toch wel heel boos op hem. ‘Je hebt in het zand gespeeld. Moet je eens kijken hoe vies je bent.’ ‘Morgen speel ik weer in het zand,’ zegt Janus. ‘Dus hoef ik me nu niet te wassen.’ ‘Je gaat in bad,’ zegt moeder beslist. ‘Nu!’ Janus gaat met tegenzin naar de badcel. ‘Je laat me niet alleen met het monster, hè?’ vraagt Janus angstig. ‘Er is geen monster,’ zegt moeder ongeduldig. ‘Maar ik zal je niet alleen laten.’ Het bad loopt al vol water. Het monster komt tevoorschijn. Hij heeft een bol hoofd, grote uitpuilende ogen en een grote bek.

Het monster steekt zijn tong naar Janus uit. Janus steekt ook zijn tong uit. ‘Wat doe je?’ vraagt moeder. ‘Het monster pest me,’ zegt Janus. ‘Houd daar nu eens mee op,’ zucht moeder. ‘Je bent veel te groot om nog monsters te zien.’ Moeder pakt schone kleren. Janus vraagt aan het monster: ‘Waarom doe je zo lelijk tegen mij? Ik ben bang voor je. Ga weg!’ Het monster lacht niet meer. Zijn grote mond trekt met de hoeken naar beneden. Hij ziet er opeens verdrietig uit. ‘Iedereen is bang voor me,’ zegt het monster. ‘Niemand wil met me spelen.’ Janus vindt het monster nu zielig. Hij is niet meer bang voor hem. Een monster dat verdrietig is, is gewoon niet meer eng. ‘Ik wil je vriend wel zijn,” zegt Janus.

Moeder draait zich om. Het monster verstopt zich gelijk. ‘Janus, zet je muts nu eens af!’ Eerst wil Janus ‘nee’ schudden. Maar hij bedenkt zich. Als moeder de baddoeken pakt, komt het monster weer tevoorschijn. Janus zet gauw de muts op het hoofd van het monster. ‘Wij zijn vrienden,’ zegt hij plechtig. ‘Voor altijd.’

(3424)

Post navigation