Het sprookje van de zon en de maan

 
‘Laten we het werk eerlijk verdelen,’ zei de maan. ‘Hoe wil je dat doen?’ vroeg de zon. ‘Nou, als jij nu alleen overdag schijnt en ik alleen als het nacht is. Dan krijgen we nooit ruzie.’ ‘Mij best,’ zei de zon. En ze hielden zich allebei aan hun afspraak. Keurig op tijd losten ze elkaar af. Als de zon ging slapen, dan kwam de maan op. En als de maan zijn werk had gedaan, dan begon de zon te schijnen.

Ze deden allebei hun best zo helder mogelijk te schijnen. Als er soms wolken waren, dan probeerden ze toch nog door de kiertjes te stralen. En lukte dat helemaal niet, dan gaven ze de wolken nog gauw een zilveren rand. Ze konden tevreden zijn. Maar één ding was niet zo prettig. Ze zagen elkaar haast nooit. Een enkele keer, als een van twee iets aan de late kant was, ontmoette ze elkaar. Maar daar hadden ze niet veel aan. Want wie te lang had doorgewerkt, was toch veel te moe om een praatje te maken.

‘Dat bevalt me toch niet,’ zei de zon op een keer, toen ze weer eens een glimp van elkaar te zien kregen. ‘Och,’ zei de maan, die bleek zag van vermoeidheid na een lange nacht haar plicht gedaan te hebben, ‘het gaat zo goed, wat wil je nog meer?’ ‘Ik zou graag wat meer gezelligheid willen. Een beetje aansprak, een beetje gezelligheid! Ik houd zo van warmte en vrolijkheid.’ ‘Och,’ zei de maan zonder veel overtuiging, ‘ik heb daar niet zo’n behoefte aan. Ik ben wat koeler van aard dan jij, denk ik.’

‘Ja, ja,’ barstte de zon los, ‘jij hebt makkelijk praten. Ik doe mijn werk van ’s morgens tot ’s avonds in mijn eentje. En jij hebt ’s nachts al je sterren om je heen.’ ‘Tja, dat is wel waar. Daar heb ik nooit zo bij stilgestaan. Maar wat zou je dan willen?’ ‘Ik weet het niet. Als ik maar iemand had die me eens hartelijk goedemorgen en welterusten wenste. dat zou al heel veel schelen.’ ‘Zou je met me willen ruilen?’ vroeg de maan. ‘O nee, dat nooit!’ zei de zon beslist. ‘Het werken overdag is heerlijk!’ De mensen kijken al ’s morgens vroeg naar me uit. Trouwens, de dieren en de bloemen ook. Ze zouden me zo missen!’ ‘Ik zou, om je waarheid te zeggen, ook niet graag omruilen,’ zei de maan. ‘Ik ben er nu eenmaal aan gewend om overdag te slapen en ’s nachts te werken. En dan… ik denk, dan ik heimwee zou krijgen naar mijn sterren! Het zijn zulke stralende kleintjes!’
‘Alles blijft dus bij het oude?’ ‘Ik zal er eens over nadenken,’ beloofde de maan. ‘Nu ben ik te slaperig. Lieve help, wat heb ik een slaap!’

De volgende keer dat de maan en de zon elkaar weer ontmoetten, zei de maan; ‘Als ik er nu voor zorg dat er altijd iemand is, die je goedemorgen en welterusten wenst. Denk je dat je het dan zou kunnen volhouden?’ ‘Ja, ik geloof het wel,’ zei de zon. ‘Goed. Ik zal één van de sterren wat later dan de anderen laten ophouden om jou goedemorgen te wensen. En ik zal een andere ster wat vroeger laten wakker worden om jou welterusten te wensen.’ ‘Dat is goed! Maar daar mag je wel een paar flinke sterren voor nemen en niet van die kleintjes.’ ‘Dat is goed,’ zei de maan. ‘Ik heb er twee, die heel geschikt zijn. Grote sterren met een bijzonder heldere glans.’

De zon voelde zich niet meer zo alleen. De twee grote sterren wachtten hem trouw op om hem goedemorgen en welterusten te wensen. Avondster en morgenster noemde de zon ze. En zo heten ze vandaag nog!

 

(12321)

Post navigation