Het verdwaalde eendje

 

Er was eens een moeder eend. Moeder eend had 12 kleine eendjes. Samen met de kleintjes zwom moeder Eend rond in de vijver van boer Piet. Iedere dag kregen alle eendjes stukjes brood van boer Piet. Een van de eendjes was heel ondeugend. Hij zwom altijd net de andere kant op en terwijl zijn broertjes en zusjes samen in de vijver speelden, ging het eendje alleen op stap om te kijken wat er buiten de vijver zoal te beleven was.

Op een dag, terwijl alle eendjes lekker aan het zwemmen waren in de vijver, kroop het eendje op de kant en liep naar de kippen. ‘Hallo’, zei het kleine eendje, ‘Waarom leggen jullie iedere dag eieren?’ De grootste kip uit het hok kwam naar het eendje toegelopen en zei ‘dat doen wij voor de mensen, die vinden eieren lekker. Sommige eieren broeden we uit zodat er kuikentjes komen, net als jij.’ ‘Okidootje’ zei het eendje en ging verder op stap. Het eendje liep naar de sloot waar hij een kikker zag zitten. De kikker maakte grote sprongen. ‘Waarom maak jij zulke grote sprongen?’ vroeg het ondeugende eendje. ‘Dat doe ik omdat ik dan zo van de ene kant van de sloot naar de andere kant van de sloot kan springen,’ vertelde de kikker. ‘Maar ik kan ook heel goed zwemmen hoor,’ zei de kikker. ‘Kom maar mee dan zwemmen we samen in de sloot.’ ‘Okidootje’ zei het kleine eendje en hij plonsde de sloot in.

Samen zwommen het eendje en de kikker helemaal naar het einde van de sloot. Tot ze bij een groot meer aankwamen. ‘Verder ga ik niet,’ zei de kikker; ‘dat is mij te gevaarlijk’. ‘Okidootje,’ zei het eendje en zwom helemaal alleen het grote meer op. In het meer zwommen grote vissen. Heel af en toe kwamen ze boven om wat belletjes te blazen. ‘Waarom leven jullie onder water?’ vroeg het eendje nieuwsgierig aan de vissen. De dikste vis kwam naar het eendje toe gezwommen en zei ‘Wij kunnen alleen maar onder water leven omdat we boven water geen adem kunnen halen. Bovendien kunnen we onder water zwemmen en dat kan boven water niet.’ Toen vroeg de vis; ‘Zwem je met ons mee, dan zwemmen we samen naar de zee’. ‘Okidootje,’ zei het kleine eendje en dapper als hij was zwom hij achter de vissen aan naar de grote zee.

Toen ze bij de zee aan kwamen zeiden de vissen tegen het kleine eendje ‘Verder gaan wij niet, dat is ons te gevaarlijk. Straks verdwalen we’. ‘Okidootje,’ zei het dappere eendje en hij zwom alleen verder. Helemaal alleen de grote zee op. Oei, oei, zou het kleine eendje de weg nog wel terug kunnen vinden?

In de grote zee zwom een hele grote vis. Deze vis was anders dan de vissen in het meer. Deze vis was wel 100 keer zo groot. Af en toe kwam de grote vis boven water en spoot hij allemaal water de lucht in. ‘Hallo,’ zei het eendje, ‘Wie ben jij en waarom spuit jij steeds water de lucht in?’ ‘Ik ben een walvis. Ik zwem onder water en adem halen doe ik boven water en als ik dat doe, dan spuit ik allemaal water in de lucht. Wat doe jij als klein eendje eigenlijk helemaal alleen zo op de grote zee. Moet jij niet naar je moeder? Kleine eendjes horen niet alleen op de grote zee te zwemmen,’ zei de walvis.

‘Okidootje’, zei het kleine eendje en hij zwom verder. Maar oei, hij wist de weg niet meer zo goed. Hoe moest het kleine eendje nu weer zijn moeder vinden en de vijver van boer Piet?

Plotseling hoorde het kleine eendje een hard geschreeuw. Het kwam uit de lucht. Het kleine eendje keek omhoog en zag een grote wit met grijze vogel. ‘Waarom schreeuw jij zo?’ vroeg het kleine eendje aan de vogel. ‘Ik schreeuw omdat ik een meeuw ben en meeuwen schreeuwen altijd zo. Maar ik schreeuw ook om boven het geluid van de golven uit te komen. Jij hoort hier niet, zo alleen op de grote zee’. ‘Ik weet het,’ zei het kleine eendje, ‘ik moet naar de vijver van boer Piet maar ik kan de weg niet meer vinden.’ ‘Wacht maar,’ schreeuwde de meeuw, ‘ik wijs je de weg wel, zwem maar achter mij aan’. ‘Okidootje,’ zei het kleine eendje en hij zwom achter de grote schreeuwende meeuw aan.

En daar gingen ze, over de zee, over het meer en door de sloot. ‘Nu weet je de weg wel weer, hè?’ schreeuwde de meeuw. ‘Ga maar snel naar je moeder en nooit meer alleen naar zee zwemmen hoor.’

‘Okidootje,’ zei het kleine eendje. Hij klom op de kant en waggelde snel terug naar de vijver van boer Piet. Hij plonsde de vijver in en zwom naar zijn moeder en zijn broertjes en zusjes. Mamma, waarom zwemmen wij niet in de zee en alleen maar bij boer Piet in de vijver?’ vroeg het kleine eendje aan moeder eend. ‘Omdat de zee veel te gevaarlijk is voor eenden. Je moet me beloven dat je daar nooit komt hoor’ zei moeder eend streng. ‘Okidootje,’ zei het kleine eendje. Voortaan bleef het kleine eendje dicht in de buurt van zijn moeder. Zijn ontdekkingsreis was best wel spannend geweest, maar ook wel heel eng.

(2884)

Post navigation