Lindewiek op stelten

 

Dat in Lindewiek een broodkruimeltjeswinkel was geopend (de Kruimelwinkel van Meneer Mierielja) was als een lopend vuurtje door de vogelwereld van het stadje gegaan. Met schrik hadden ze gemerkt dat de mensen hun broodkruimels iedere dag naar het schoolplein brachten. Eerst snapten ze niet wat het te betekenen had. Maar al gauw hadden ze in de gaten waar het om ging; de hele berg kruimels werd naar de Kruimelwinkel gebracht. Overal zaten vogels verontwaardigd te kwetteren. HUN broodkruimels. Wat een gemene streek. Niet dat ze nu om kwamen van de honger. Het was nog zomer en ze vonden eten genoeg. Maar ze dachten aan de winter wanneer ze geen eten konden vinden als het erg koud was.

Katootje Kraai zat iedere dag in de lindeboom voor het schoolplein en sloeg de boel gade. Zodra de mensen hun huizen uitgingen met hun broodrestjes, kwamen uit alle hoeken en gaten de vogels aanvliegen. Terwijl sommigen vaak ruzie met elkaar hadden, zaten ze nu eensgezind in de lindeboom. ‘We moeten op de berg kruimels aanvallen,’ zei Egbert Ekster. ‘Aanvallen?’ vroeg Wikkie Mus verschrikt. ‘De berg wordt bewaakt.’ Hij viel bijna van angst van zijn tak. ‘Ja,’ zei Egbert kriegelig, ‘Met zijn allen moeten we op de berg aanvallen en alle kruimels meepikken.’ ‘Dat wordt niks,’ zei Wikkie zenuwachtig, ‘we moeten iets anders verzinnen.’ Toen kregen ze weer ruzie.

De mussen zijn een beetje bang voor mensen en waren tegen het plan en de kraaien en de eksters scholden hen uit voor bangerikken. De koolmezen zaten stil te luisteren en de pimpelmezen dachten na over de hele toestand. Krokie Roodborst voelde ook niet veel voor het plan. De spreeuwen gilden tegen hem, maar Krokie bleef dapper bij zijn standpunt. Hij stond op goede voet met de mensen die dol op hem waren en hij wilde geen ruzie met hen.

Juffrouw Duif die door iedereen met juffrouw werd aangesproken, omdat ze niet getrouwd was, deed niet met de ruzie mee. Ze bewaarde haar kalmte zoals altijd. Toen iedereen uitgeruzied was en mokkend voor zich uit zat te staren, nam ze het woord: ‘Beste medevogels van Lindewiek,’ zei ze. Op slag gingen alle vogelkopjes omhoog, waar juffrouw Duif eenzaam op de bovenste tak zat. ‘De mieren gingen dood van de honger en Fleurtje uit de Aricastraat heeft ze gered. Dat was heel lief van haar. De broodkruimels zijn voor hen. Wat over is wordt verkocht in de Kruimelwinkel. Mierenfamilies in de hele omgeving hebben nu ook te eten. Is dat niet prachtig?’ Het was even doodstil. Toen zei Egbert snibbig: ‘Wat kunnen mij die mieren schelen.’ ‘Wat een egoïst,’ vielen de koolmeesjes juffrouw Duif bij, ze vlogen naar de bovenste tak en gingen bij haar zitten. Ook de merels verhuisden naar de bovenste tak. Ze wilden niets met Egbert te maken hebben. Hoe erg ze het ook vonden dat ze geen broodkruimels meer kregen. Het werd weer een denderende herrie.

Opeens gaf Katootje een gilletje. ‘De berg… de berg is weg!’ Verschrikt staarden alle vogels naar het schoolplein. Het was leeg. Ze hadden niet gemerkt dat de kar was volgeladen en al lang op weg was naar de Kruimelwinkel. Dat kreeg je nu van ruzie. Teleurgesteld keek iedereen naar het lege schoolplein. ‘Weet je wat we moeten doen?’ vroeg juffrouw Duif. Het was even doodstil. ‘Als Fleurtje een prachtig plan heeft bedacht voor de mieren, dan heeft ze vast ook een goed plan voor ons, als we daarom vragen.’ Ineens werden ze allemaal vrolijk. ‘Kom we gaan meteen naar de Aricastraat,’ schetterde Egbert. Hij vloog op en iedereen haastte zich de boom uit op weg naar het huis van Fleurtje.

Fleurtje zat thuis in de tuin op de schommel. Ze schrok toen ze opeens een massa vogels op zich af zag vliegen. Oei, zoveel had ze er nog nooit bij elkaar gezien. Ze hield op met schommelen. Het bezoek streek neer midden in de tuin op het grasveld. ‘Wat doen jullie hier?’ vroeg ze. ‘We hebben gehoord dat de broodkruimels nu aan de mieren gegeven worden,’ zei Egbert terwijl hij heen en weer hipte. Fleurtje knikte. ‘Eerst waren ze altijd voor ons, en we willen ze weer terug.’ Alle vogels knikten heftig. ‘Van de winter hebben we die broodkruimels helemaal hard nodig.’ ‘Dat kan dus niet meer,’ zei Fleurtje terwijl ze haar hoofd schudde. Haar vlechtjes dansten op en neer. ‘Hoe hhoe mmoet het dan met ons?’ stotterde Wikkie? ‘Ja hoe moet het dan met ons?’ vielen alle mussen hem bij. Fleurtje begon te lachen. Opeens begreep ze hun problemen. ‘Je zult ook iets voor ons moeten verzinnen,’ zei Juffrouw Duif.’

‘Lusten jullie misschien ook ander eten?’ vroeg Fleurtje ‘We hebben graag wormen,’ zei Mekie Merel ‘Welja, hoe moeten we die verzamelen?’ vroeg het kleine redstertje van de mieren. ‘Wij mensen eten geen wormen, dus die hebben we niet. Maar ik zal voor jullie ook een plannetje bedenken hoor,’ beloofde ze. ‘Hoe dan? Wat dan?’ vroeg Wikkie ‘Tja,’ zei Fleurtje, ‘Ik heb werkelijk geen idee. Eten jullie alleen maar wormen?’ ‘Nee,’ zei, Mekie, ‘ik lust ook stukjes appel. ‘En wij lusten pinda-tjes,’ gilden de pimpelmeesjes ‘En stukjes spek,’ riepen de koolmeesjes, ‘en allerlei zaadjes,’ Juffrouw Duif vertelde dat ze graag duivenzaad bliefde, maar andere zaadjes waren ook welkom. Toen kwetterden alle vogels door elkaar; het werd een heel spektakel. Fleurtje beloofde dat ze zou kijken wat ze kon doen.

Opgelucht gingen even later de vogels ieder naar hun huisjes in de bomen terug. Op dat moment kwam Fleurtje’s moeder nieuwsgierig naar buiten wat dat lawaai van al die vogels te betekenen had. Fleurtje vertelde het hele verhaal. Die avond bedachten ze samen wat ze die winter voor alle vogels zouden kunnen doen. Ze zouden pinda’s kopen en die allemaal aan elkaar rijgen. In de dierenwinkel zouden ze zakjes zaad kopen en daar konden ze vetbolletjes van maken. ‘En morgen moet je dit ook op school vertellen, ‘zei haar moeder,’ Fleurtje knikte. Ze wist precies wat haar te doen stond. ‘En ik moet naar de burgemeester, ‘zei ze. ‘Ja lieverd,’ zei haar moeder. ‘Burgemeester Lindegroen laat vast weer in de krant schrijven dat alle mensen moeten meedoen.’

En zo is het ook gebeurd. Die winter hing in heel het stadje de tuinen vol met het lekkerste eten. Het zag er heel gezellig uit met al die pindaslingers. Alle bomen en struiken hingen helemaal vol met vetbollen die de mensen zelf hadden gemaakt. Ook hadden de mensen hun spaarpotten geleegd en allemaal een vogelhuisje gekocht die vol met zaadjes lagen. En de vogels? Die hadden het nog nooit zo naar hun zin gehad in Lindewiek. En met al dat heerlijke eten hadden ze geen tijd voor ruzies meer. En je moet weten dat vroeger in heel het land in de winter alleen maar broodkruimels aan de vogels werd gegeven.

Lindewiek werd het eerste stadje waar ze pindaslingers gingen maken en Fleurtje en haar moeder hebben de vetbolletjes uitgevonden. Lindewiek werd er beroemd door en nu maken ze ze in heel het land. Ze worden nu zelfs overal kant en klaar verkocht. Dit verhaal hoorde ik toen ik op visite was bij mijn tante in Lindewiek. En ik vond dat ik het op moest schrijven zodat alle kinderen het zouden weten.

(3378)

Post navigation