Plommetje

 

Plommetje was een echt verwend kabouterjongetje. Hoewel zijn vader helemaal niet rijk was, wist hij toch steeds met zijn gezeur het mooiste en duurste speelgoed te krijgen, waarvoor vader en moeder het geld eigenlijk niet konden missen.

Op een middag kwam Plommetje huilend uit school thuis. ‘Wat is er met jou aan de hand?’ vroeg zijn moeder ‘Waarom ben je zo van streek? Hebben de jongens je geplaagd of heeft Joep, het boskonijn, je soms weer achterna gezeten?’ ‘Nee, nee,’ snikte Plom, ‘alle jongens hebben een vlieger, alleen ik…ikke niet.’ ‘O, is het dat,’ zegt moeder gerustgesteld, ‘Daarom hoef je toch niet zo verdrietig te zijn? Je krijgt ook een vlieger. Kom maar mee naar de speelgoedwinkel van baas Timperol. Daar zijn vliegers genoeg te koop.’ Plommetjes tranen waren nu gauw verdwenen en blij liep hij met moeder mee.

In de winkel van baas Timperol waren, zoals moeder al gezegd had, allerlei vliegers te koop: gele, rode, blauwe, maar geen enkele was naar Plommetjes zin. ‘Ik wil een hele grote hebben,’ zeurde hij. ‘Deze is de grootste die ik heb, het is een prachtige vlieger,’ zei baas Timperol en hij kwam met een reusachtige vuurrode vlieger aandragen. ‘Hij is nog te klein,’ jammerde Plom. Toen werd moeder boos en zei ‘Als je niet heel gauw een vlieger uitkiest, krijg je er geen één!’ Plommetje nam nu maar vlug de grote rode vlieger en liep er mee naar buiten. Maar weet je wat er gebeurde?

Zzzzzzt…deed de vlieger en hij nam Plom mee hoog de lucht in. ‘Help, help,’ gilde de kleine man, hoewel hij best begreep dat niemand uit het bos hem meer kon zien of horen. Een grote wolk met een bolronde toet lachte hem uit en riep ‘Plommetje, het is je eigen schuld. Had je maar niet de grootste vlieger moeten uitkiezen. Ik heb je wel horen zeuren, toen je met je moeder bij baas Timperol was. Wij wolken hebben goede oren, hoor!’ ‘Lieve wolk, help mij toch alsjeblieft,’ huilde Plommetje. ‘Ik zal nooit meer zeuren om het grootste en duurste speelgoed.’ ‘Ha, je wordt verstandig,’ lachte de wolk. ‘Klim maar op mijn lange neus, dan breng ik je weer naar het bos terug.’

Wat was Plom blij toen de wolk hem even later voorzichtig van zijn neus liet glijden. Terwijl de vlieger hoog in de lucht vloog, rende Plommetje zo vlug hij kon naar vader en moeder terug. Ze hadden zich ongerust gemaakt, en ze waren reuze blij toe ze Plom weer zagen. Maar dat Plommetje vanaf die dag ook een tevreden jongetje was, dat was voor vader en moeder de grootste verrassing.

(936)

Post navigation