Het varkentje dat ontevreden was

 

O ja, het varkentje kreeg genoeg te eten. En het weiland was groot genoeg. Dat was het niet. Maar het varkentje voelde zich ontevreden… omdat het zo’n klein en lelijk staartje had. Het had daar nooit zo over gedacht. Totdat het zichzelf een keer per ongeluk in een grote plas weerspiegeld zag, met staartje en al. Nooit geweten dat ik zo’n onooglijk staartje heb, dacht het varkentje. En hij kon het niet nalaten om zijn staartje te vergelijken met de staart van anderen.

Kijk toch eens wat een prachtige staart het paard bijvoorbeeld had! Daar kon je mee zwiepen om de vliegen te verjagen. Fantastisch!
En dan de hond! Vol afgunst keek het varkentje naar de hond, die juist naar het hek rende om zijn baas te begroeten. De hond kon geen vliegen wegjagen met zijn staart. Dat was waar. Maar hij kon kwispelen. En dat was ook heel waardevol. Want op die manier kon hij laten zien, dat hij blij was. De hond kon dus eigenlijk praten met zijn staart.
Maar dan de haan! Wat had dat dier een mooie kleuren in zijn staart! Groen en rood en bruin. En er lag een glans over alle veertjes. De haan wist het maar al te goed dat hij mooi was. Hij zat niet voor niets zo graag boven op een hek of op de rand van de hooiberg! Dat was natuurlijk om zijn mooie staart te laten bewonderen. Kijk, daar wipte de haan weer boven op het nachthok. Hij spreidde zijn heerlijke staart uit in de zon en kraaide met zijn ogen dichtgeknepen.

Wat voelde het varkentje zich ongelukkig! Het had het ook wel heel slecht getroffen. Het was geen pretje om met zo’n onnozel staartje door de wereld te moeten gaan. Het varkentje schaamde zich werkelijk. De krul ging er van uit zijn staartje. En toen leek het helemaal niets meer! Je zou het voor een stukje touw kunnen verslijten.

Kom, dacht het varkentje, laat ik er maar niet meer aan denken. Het is nu eenmaal zo. En met kniezen wordt het toch niet beter. Het beste was maar om eens gezellig languit in de modder te gaan liggen luieren. En gnorr, gnorr, gnorr, zocht het varkentje met zijn snuit vooruit, een geschikt plekje op. Opeens bleef het varkentje midden in het weiland staan. Dat hij daar nooit aan gedacht had! Als hij eens zo’n lange staart had als het paard! Hoe zou een varkentje daar ooit mee in de modder kunnen rollen?

Op hetzelfde ogenblik was het varkentje weer tevreden met zijn eigen gekke staartje. Het deed er gauw weer een vrolijke krul in. En met een diepe zucht liet het zich, zo lang en breed als het was, in de modder vallen.

(301)

Post navigation