Verhaaltjes voorlezen

De leukste voorleesverhaaltjes voor het slapen gaan

Wil je een verhaaltje voorlezen en heb je even geen inspiratie en kom je niet op een leuk of spannend verhaal?. Wees niet getreurd, regelmatig publiceren we hier een nieuw kinderverhaal om voor te lezen.

Laat je ook een reactie of een like achter bij de verhalen die je hebt (voor)gelezen of op onze Facebook pagina?

‘Eske, nu roep ik je voor de laatste keer. Kom eten.’ Eske hoort aan Mama’s stem dat ze boos is. Mama is zo vaak boos. Dit mag niet en dat mag niet. Sommige dingen moeten juist. Eske snapt er niet veel van.

Ze heeft nog niet verteld dat de juf ook al kwaad is. Op school moet je de hele tijd stilzitten en je mond dichthouden. En dat is net wat Eske niet kan. Het was wel lachen vandaag. Irmgard (Eske’s beste vriendin) had een nieuwe vulpen gekregen. Alleen zat de vulling er niet goed in. De vulpen lekte. De tafel van Irmgard zat helemaal vol. En haar schrift. Haar gezicht zat ook vol vlekken.

Natuurlijk moest Eske zich er mee bemoeien. Ze wilde helpen. Maar het werd steeds erger. Ze pakte het schrift. Haar handen zaten toen ook onder. De juf had een witte trui aan. Eske had niet gezien dat de Juf achter haar stond. Ze botste tegen haar aan en de trui van Juf was niet wit meer. Juf probeerde nog met een doekje met water de vlekken eruit te krijgen, maar dat lukte niet. De trui van Juf was nu blauw met wit. Toen Eske zei dat ze hem zo mooier vond, werd de Juf heel boos.

Het briefje dat de Juf voor mama geschreven heeft zit nog in Eske’s tas. Misschien maar beter ook. ‘Eske, blijf maar boven. Je gaat zonder eten naar bed. En wel nu meteen. Ik heb er genoeg van, je l.l.l.l.luistert gewoon niet.’ Mama stottert ervan, ze is heel boos. Gelukkig dat ik geen honger heb, denkt Eske: Ik wou dat ik ergens anders kon wonen. Ergens waar ik kan doen waar ik zin in heb.

Ik weet het. Ik ga naar Snoepjesstad. Als mama straks komt kijken of ik slaap, ben ik lekker weg

Ben je wel eens boos op je papa of mama?
Boos, omdat je nooit iets mag?
Geen snoepje of koekje vlak voor het eten.
In de winter niet zonder jas naar buiten.
Moet je ook altijd op tijd naar bed?
Zeggen ze: ‘Ja, je mag niet kletsen op school, als je vertelt dat je straf kreeg?’
Krijg je daar echt genoeg van?

Zeg je wel eens: ‘ik ga ergens anders wonen? Ik wil zelf weten wat ik doe’.
Dan weet ik wel een leuke stad voor je.
De huizen zijn niet van stenen, maar van snoepjes gemaakt.
Uit de schoorsteen komt slagroom.
De straten hebben lekkere namen: ‘Het Engelse Drop Plein’, ‘De Koekjesweg’, ‘De IJsjesstraat’.
Je hoeft niet naar school, maar het mag wel. De juf is blij als je komt.

Je doet er alleen maar leuke, gezellige dingen.
Van rekenen en taal hebben ze nog nooit gehoord.
Er zijn heel veel speeltuinen. In iedere straat wel een.
Alle dieren lopen los. Als je wilt paardrijden, spring je gewoon op een paard. Je hoeft niet te betalen.
Kinderen maken er geen ruzie, iedereen is lief voor elkaar.
Pesten, dat doen ze nooit.

Nu, wat denk je ervan? Ga je er wonen?

Toontje Toon,
hield niet van schoon.

Hij hield van vies en plak,
en liep het liefst in een jute zak.

Een vieze neus en smerig haar,
Toontje Toon vond dat echt niet raar.

Wassen vond hij stom,
en haren kammen vond hij dom.

De mensen liepen om hem heen,
want de lucht was vreselijk naar het scheen.

Toen werd hij verliefd op Mientje Keurig,
en Mientje vond de vieze Toontje maar treurig.

Mientje zei: Jij moet in bad,
met veel zeep, dat lijkt me wel wat.

Mientje boende Toontje schoon,
want schoon vond Mientje heel gewoon.

Toontje is nu steeds een schone vent,
en wordt door Mientje veel verwend.

‘Wat lees jij pappa?’ vraagt Ollie.
‘De krant,’ antwoordt pappa, terwijl hij verder leest.
‘Ja, maar wat staat er dan in de krant. Er staan zo weinig plaatjes in. Dat lijkt mij helemaal niet leuk. Das toch hartstikke saai!’

Pappa legt uit dat de krant helemaal niet saai is. Er staat namelijk nieuws in. Alle dingen die pas gebeurd zijn worden in de krant opgeschreven. Dan kan iedereen het lezen. Zo staat er in de krant dat de krentenbollen van Bakker Jansen nu nog lekkerder zijn. Of dat het in Spanje heel erg warm is. Alles eigenlijk.

Nu pappa het heeft uitgelegd snapt Ollie het een beetje. Maar toch vindt Ollie nog steeds dat het er maar saai uitziet.
‘Nou,’ zegt pappa, ‘dan ga je samen met Olliver een kinderkrant maken. En dan kunnen jullie net zoveel plaatjes plakken en gekleurde letters gebruiken als jullie willen.’ ‘Ja, maar waar moeten we dan over schrijven?’ vraagt Ollie. ‘Tsja,’ zegt pappa, ‘probeer dat maar eens samen Olliver te verzinnen.’ En dat doen ze.

Ollie en Olliver zijn de hele middag druk aan schrijven, knippen en plakken. Ze hebben wel 10 blaadjes vol. Dat wordt een dikke krant! Ze schrijven over de wipwap op het schoolplein en over het water in het zwembad. Maar ook over brood voor de eendjes en een wortel voor het paard. Het wordt een belangrijke krant!

Als de krant klaar is, zijn Ollie en Olliver heel trots. ‘Kom,’ zegt Ollie, ‘we laten hem aan pappa zien.’ ‘Ja, doei,’ roept Olliver. ‘Dat doen we dus mooi niet. Als jouw pappa de krant wil lezen, dan moet hij hem eerst kopen. Dat is met de echte krant ook zo, dus ook met onze krant.’ Ollie vindt het een beetje raar. Je hoeft toch niet overal geld voor de vragen? ‘En van het geld dat we voor de krant krijgen, gaan we een lekker ijsje kopen!’ legt Olliver uit. Kijk dat is inderdaad een goed idee van Olliver. Hij is toch wel slim hoor.

Samen lopen ze met de krant naar pappa. ‘Kijk eens pappa, de krant is klaar.’ Ollie laat de krant aan pappa zien, maar verstopt de krant daarna weer snel achter haar rug. ‘Zo kan ik het toch niet zien,’ zegt pappa. ‘Nee, dat mag ook niet want je moet de krant eerst kopen,’ legt Ollie uit. ‘Ja, want dan kunnen wij tenminste een ijsje kopen. Dat hebben we wel verdient,’ roept Olliver. Pappa moet lachen.
‘Dat hebben jullie slim bekeken. Weet je wat, ik koop de krant, maar dan moeten jullie voor mij ook een ijsje meenemen.’ En dat doen ze.

‘Weet je Ollie, morgen maken we wel honderd kranten. Dan kunnen we wel honderd ijsjes kopen!’ Maar dat wil Ollie niet. Honderd kranten! Das veel te veel! Morgen wil Ollie weer lekker buiten spelen.
Als ze later groot is maakt ze misschien wel weer eens een krant.

Katinka, Boris en papa gaan naar het park.
‘Zullen we verstoppertje spelen?’ vraagt Katinka. ‘Dan ga jij ons zoeken.’
‘Dat is goed,’ zegt papa. Hij gaat op een bankje zitten en doet zijn handen voor zijn ogen.
‘Ik tel tot tien, wie niet weg is is gezien! Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tie-ien! Ik kom!’ Papa doet zijn ogen weer open.
Boris staat bij de zandbak. En Katinka is weg.
Papa kijkt achter een boom.
Niemand.
‘Waar is Katinka?’ mompelt papa.
‘Daar!’ wijst Boris. Hij rent naar de heg.
Ja. Katinka is achter de heg. Boris heeft het verklapt.
‘Nu ga ik mijn ogen dicht doen,’ zegt Katinka. Ze gaat op het bankje zitten.
Papa verstopt zich achter een dikke boom.
‘Ik tel tot tien, wie niet weg is is gezien! Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tie-ien! Ik kom!’ roept Katinka. Ze kijkt rond.
Papa is weg.
‘Papa!’ roept Boris. Hij rent naar de boom.
Katinka ziet papa al.
‘Nu heb je het wéér verklapt!’ zegt papa.
Boris snapt het spelletje nog niet.
‘Nu moet Boris zijn ogen dicht doen,’ zegt Katinka.
Boris doet zijn handjes voor zijn ogen.
Katinka en papa gaan zich verstoppen. Katinka kruipt tussen de struiken en papa verstopt zich achter een boom.
Boris staat nog steeds met zijn ogen dicht. Hij kan nog niet tellen.
‘Boris!’ roept papa.
Boris doet zijn ogen open. Waar is papa? Waar is Katinka?
Ze zijn weg. Boris vindt het helemaal niet leuk!
‘Papa!’ roept Boris. Hij is bang. Hij is helemaal alleen.
Papa komt tevoorschijn. Boris rent snel naar papa toe.
En dan gaan ze samen Katinka zoeken. Ze zoeken overal. Katinka heeft zich heel goed verstopt.
Dat is een leuk spelletje!

‘Wat doe jij daar?’ vraagt Olliver aan Ollie.
‘Foto’s kijken,’ zegt Ollie.
Ollie kijkt in haar fotoboek. In dat boek zitten allemaal foto’s van Ollie toen ze nog een baby was.

Olliver wil de foto’s ook zien. Olliver begint te lachen. Dat ziet er gek uit.
Op de ene foto heeft Ollie een grote speen in haar mond en op de andere foto heeft ze een grote strik in haar haar.
‘Pfff,’ proest Olliver, ‘jij was een rare baby!’

Ollie wordt boos. Ze vindt het niet leuk dat Olliver haar uitlacht. Ze was helemaal geen rare baby. Ze was juist een hele leuke baby.
Olliver bladert het fotoboek door. Hij moet steeds harder lachen. Ollie wordt boos en loopt naar Olliver’s mamma.

‘Mag ik de babyfoto’s van Olliver eens zien?’ vraagt Ollie. En dat mag. Snel kijkt Ollie naar de babyfoto’s van Olliver. ‘Jij was zelf een rare baby!’ lacht Ollie. ‘Hier kijk dan. Hier heb je een hele dikke luier om. En hier heb je allemaal eten op je gezicht gesmeerd.

Nu wordt Olliver boos. Het is inderdaad niet leuk als iemand je uitlacht. Ollie en Olliver krijgen ruzie. Ze roepen stomme dingen naar elkaar en kijken allebei heel boos.
Mamma komt erbij. ‘Wat is hier aan de hand?’ vraagt ze. ‘Jullie hebben toch geen ruzie om de babyfoto’s…bah wat flauw van jullie.’ ‘Jullie waren allebei hele leuke baby’s. Baby’s zien er soms gewoon grappig uit. Daar hoef je toch geen ruzie om te maken!’

Mamma pakt de fotoboeken en begint bij iedere foto een verhaaltje te vertellen. Ollie moet lachen om Olliver, maar ook om zichzelf. En Olliver kan nu ook om zijn eigen babyfoto’s lachen. Ze waren inderdaad allebei leuke, grappige baby’s.

Later zegt Olliver tegen Ollie; ‘Ik vind ons de leukste baby’s van de wereld.’ ‘Ja,’ zegt Ollie, ‘wij waren de leukste baby’s van de wereld.’

Droef de Hond heeft het warm.
Hij heeft de hele tijd in zijn mand liggen slapen.
Die mand staat vlakbij de verwarming.
In de mand van Droef is het dus altijd lekker warm.

Hmmmm, denkt Droef.
Ik denk dat ik maar eens even wat moet gaan afkoelen.
Hoe zal ik dat doen?

Zal ik een beetje water drinken?
Nee, dat smaakt me niet!
Zal ik een ijsje eten?
Maar waar vind ik een ijsje?
Ik weet het!
Ik ga een koude douche nemen!

Droef klimt de trap op.
Boven is de badkamer.
En in die badkamer is ook de douche.
Droef houdt niet van douchen.
Hij houdt ook niet zo van water.
Maar nu heeft hij het warm.
Een lekkere koude douche, denkt Droef.
Dat zal me afkoelen.

Met zijn poot duwt Droef het douchegordijn aan de kant.
Hij stapt de douche binnen.
Ahhhhh, dat is lekker.
Wat een heerlijke koude douche zeg!
Maar Droef heeft niet goed gekeken.
Want onder de douche staat ook zijn baasje.
Droef, wat doe je!
Ga onmiddellijk onder de douche vandaan.
Zie je dan niet dat ik hier al sta te douchen?

Droef gaat onder de douche vandaan.
Hij vindt het niet erg want hij was toch al afgekoeld.

Wat doe jij als je het warm hebt?

 

‘Opgelet. Alle dieren naar de grote tent komen’, klonk het door de luidspreker. ‘De directeur heeft jullie iets belangrijks te vertellen’. Het werd een grote optocht. De dieren kwamen overal vandaan. De olifanten kwamen aangestampt met hun logge lijven. De leeuwen slopen voorbij, ze zagen er gevaarlijk uit. De paarden liepen heel mooi, ze waren net geborsteld en gekamd. En tussendoor renden en blaften de honden van het circus

In de tent gekomen, zei de directeur: ‘Ik heb groot nieuws. Vandaag komt er een giraf, helemaal uit Afrika, bij ons bij het circus. Hij is heel lenig en knap. Hij kan een kunst die geen andere giraf kan. Mensen uit het hele land komen speciaal om hem te zien. Kan ik er van op aan dat jullie aardig tegen hem zijn?’ De directeur ging weer verder met zijn belangrijke werk. De dieren waren verbaasd. Wat was dat nu? Kwam er zomaar een vreemd dier bij hen? En nog wel een giraf. Zeker een erg verwaand beest. Wat zou die voor een geweldig kunstje kunnen.

Brulboei, de leeuw, brulde: Ik zal hem wel eens een lesje leren, wat denkt dat dier wel? De belangrijkste olifant, ‘Logger’, stampte eens hard op de grond, maar trompetterde niet. Alleen Rins, de hond, blafte: ‘Hij zal zich hier wel eenzaam voelen, zonder zijn familie’. Er klonk een harde bel. Dat betekende dat het etenstijd was. Na het eten begon de middagvoorstelling. ‘Hooggeëerd publiek, mag ik uw aandacht voor Raf de giraf. Hij komt helemaal uit Afrika, speciaal voor U. Hij gaat een geweldig optreden doen. Hij kan iets wat geen andere giraf ter wereld kan. Uw aandacht voor Raf, alstublieft! Het applaus kletterde door de circustent.

Heel statig kwam, Raf met zijn lange nek, door de gordijnen de tent binnen. Hij keek eens naar links, en naar rechts. Hij boog voorover zo ver hij kon. En weer klapte het publiek Toen rekte hij zich helemaal uit, zijn oren raakten bijna het topje van de tent. Het trommelgeroffel werd steeds sterker. Raf voerde de spanning op, door heel stil te blijven staan. Het publiek hield de adem in. Plotseling draaide Raf z’n nek in een lus, stak zijn hoofd erdoor en hij zat in de knoop. Geweldig, dat had het publiek nog nooit gezien. De mensen klommen op de stoelen en juichten: ‘Raf, Raf, Hoera!

Maar Raf had geen zin om lang zo te blijven staan De knoop in zijn nek deed te veel pijn. Hij liep, voor het publiek zijn tranen kon zien, naar achter en deed zijn hoofd en nek weer gewoon. En hoe hard de mensen ook klapten en schreeuwden, hij kwam niet meer terug. Achter de gordijnen stonden de leeuwen al klaar. Zij waren nu aan de beurt om op te treden. Brulboei kon het niet laten onaardige opmerkingen tegen Raf te maken. ‘Het is zeker wel koud daarboven’, zei hij spottend; ‘geen wonder dat je je nek korter wil maken. Het leek of Raf zich nog groter maakte. Hij wou niet dat de andere dieren zagen hoe verdrietig hij was.

‘Verwaand beest’, riep Brulboei hem nog toe, voordat hij aan zijn kunsten begon. De leeuwen kregen ook veel applaus, maar de giraf bleef de lieveling van het publiek. Het lijkt wel of het regent, dacht Jippe, een van de circushonden ‘He, Rins, kom eens’, riep hij naar zijn vriendje, ‘voel jij ook druppels?’ ‘Dat komt niet van de regen’, antwoordde Rins, ‘dat komt van Raf’. ‘Zeg eens’, vroeg hij aan de giraf, ‘waarom huil jij, je hebt zoveel succes’. ‘Iedereen is jaloers op jou’. Raf was blij dat hij zich niet meer groot hoefde te houden en Rins leek hem een aardige hond. ‘Het doet heel erg pijn om een knoop in mijn nek te leggen’, vertelde hij,’ en bovendien mis ik mijn familie’. ‘Ik ben de enige giraf hier, ik zou zo graag teruggaan naar Afrika. Rins voelde erg met Raf mee, hij zat zelf bijna te huilen. ‘Misschien heb ik wel een goed idee’, fluisterde hij in Jippe’s oor, ‘kom mee’. ‘Tot ziens’, zei hij tegen Raf. ‘Nou, daar heb ik ook niet veel aan’, dacht Raf, ‘ik moet er maar het beste van maken’.

Intussen had Rins alle dieren, behalve Raf natuurlijk, bij elkaar geroepen voor een vergadering. Hij vertelde wat er met de giraf aan de hand was en iedereen had medelijden met hem, ook Brulboei. Het bleek dus, dat hij helemaal niet verwaand was, maar veel pijn had. Rins legde uit hoe Raf geholpen kon worden. Alle dieren waren dolenthousiast Ze spraken af dat ze het plan nog diezelfde avond tijdens de voorstelling zouden uitvoeren. Hooggeëerd publiek, mag ik uw aandacht voor Raf de giraf. Hij komt helemaal uit Afrika, speciaal voor U. Uw aandacht voor Raf, alstublieft! Het applaus was oorverdovend. Het publiek keek raar op toen een paard met een luidblaffende hond op zijn rug de circusvloer opkwam, een rondje galoppeerde en weer naar achter ging. In zijn vaart zwiepte hij met zijn staart de hoed van het hoofd van de directeur. Die kreeg een vuurrood hoofd, maar zei nog eens: ‘Uw aandacht voor Raf, alstublieft’.

Nu kwamen er twee olifanten aan, een van hen duwde met zijn slurf de directeur opzij, zodat hij op zijn bips terechtkwam. Vlug stond de man weer op, maar nu kreeg hij van de andere olifant een klap op zijn bips. Het publiek vond het wel grappig, maar toen de olifanten weg waren riepen ze: ‘We willen Raf, we willen Raf. De directeur verontschuldigde zich, hij schaamde zich dood. Voor de derde keer zei hij, en de dieren hoorde dat hij kwaad was: ‘Uw aandacht voor Raf alstublieft!’. Nu kwamen de leeuwen en ze deden net of ze de directeur op wilden eten. Die schrok zo, dat hij midden in de bak met water viel, die klaarstond voor het nummer van de clown.

De directeur kreeg door dat de dieren heel boos op hem waren en hij begreep ook waarom. Hij wist dat Raf pijn had bij het optreden en dat hij heimwee had, maar de directeur vond geld verdienen belangrijker. Gelukkig was de directeur ook een eerlijke man. Diep in zijn hart vond hij dat de dieren gelijk hadden. Hij zei tegen het publiek: ‘ Jullie krijgen het geld voor de voorstelling terug en Raf krijgt van mij een enkele reis naar Afrika. Hij mag terug naar zijn familie. Weer was er een
grote optocht van dieren. Maar deze keer gingen ze Raf uitzwaaien, op het vliegveld. De giraf was dolblij dat hij niet meer op hoefde te treden en naar huis mocht. Hij wist niet hoe hij de dieren kon bedanken. Toen hij in het vliegtuig zat en uit het raampje keek, zag hij ze allemaal staan en dacht:’ Dit is voor mij de mooiste circusvoorstelling’.

Het is stil in de klas. Alle kabouters werken hard. Ze maken een tekening. Een tekening over de sneeuw.

Kabouter Kas tekent een eendje op het ijs. Het glijdt telkens uit. Kabouter Snif maakt een sneeuwman. Met een zwarte hoed op. En een rode das om zijn nek. De sneeuwman ziet er mooi uit. Kabouter Snif niest ervan. Hatsjie, Hatsjoe.

Dan zegt Juf Kaatje: ‘ We gaan opruimen. Het is tijd voor de muziekles’. ‘Hiep,hoi,’ roepen de kabouters. ‘Leuk, muziek maken!’ ‘Wie weet nog hoe de muziekjuf heet?’ vraagt Juf Kaatje. Dat is moeilijk. Ze is pas een keer geweest. Maar kabouter Slim weet het nog. ‘Juf Zizi’ zegt hij. ‘Goed hoor! antwoordt Juf Kaatje.

Juf Zizi komt de klas binnen. Ze zegt: ‘Hallo kabouters’. Maar het klinkt niet vrolijk. Wat is er aan de hand? Juf Zizi vertelt: ‘ Ik ben heel dom geweest. Ik ben al mijn spullen vergeten. De doosjes met rijst om mee te schudden. Alle stokjes voor op tafel te tikken. Juf Zizi kijkt heel verdrietig. ‘Wat moeten we nu?’

Kabouter Slim zegt: ‘We kunnen toch zingen! Daar zijn we heel goed in’. Dat is waar. De kabouters zingen de mooiste liedjes. ‘Op een rode paddestoel’. ‘En kabouterhoedje van papier’. Juf Zizi wordt iets vrolijker. ‘Ik wil ook met instrumenten spelen. Niet alleen zingen’, zegt ze.

Opeens krijgt ze een idee! ‘We gebruiken onze handen en voeten. Daar maken we muziek mee. Dat zijn onze instrumenten’. De kabouters klappen in hun handen. Ze stampen met hun voeten op de grond. Ze maken de mooiste muziek. Ze zingen en ze klappen.

“Een twee drie vier, klappen maar, klappen maar,
een twee drie vier, klappen met elkaar,
en als je soms niet klappen wil,
hou je handen dan maar stil!!!! (handen omhoog)
Een twee drie vier, klappen met elkaar.

Ze zingen en ze stampen. De kabouters hebben veel plezier. Dan zegt Juf Zizi: ‘De tijd gaat snel. De les is weer voorbij’. ‘Wat jammer’, roepen de kabouters.
‘Het was net zo leuk!’

Juf Kaatje zegt: ‘Volgende week komt Juf Zizi weer terug. Zeg maar dag’. ‘Dag, Juf Zizi’, roepen de kabouters. Juf Zizi zwaait. Ze hoeft deze keer geen instrumenten mee naar huis te nemen. En het was toch een leuke les!

Dat in Lindewiek een broodkruimeltjeswinkel was geopend (de Kruimelwinkel van Meneer Mierielja) was als een lopend vuurtje door de vogelwereld van het stadje gegaan. Met schrik hadden ze gemerkt dat de mensen hun broodkruimels iedere dag naar het schoolplein brachten. Eerst snapten ze niet wat het te betekenen had. Maar al gauw hadden ze in de gaten waar het om ging; de hele berg kruimels werd naar de Kruimelwinkel gebracht. Overal zaten vogels verontwaardigd te kwetteren. HUN broodkruimels. Wat een gemene streek. Niet dat ze nu om kwamen van de honger. Het was nog zomer en ze vonden eten genoeg. Maar ze dachten aan de winter wanneer ze geen eten konden vinden als het erg koud was.

Katootje Kraai zat iedere dag in de lindeboom voor het schoolplein en sloeg de boel gade. Zodra de mensen hun huizen uitgingen met hun broodrestjes, kwamen uit alle hoeken en gaten de vogels aanvliegen. Terwijl sommigen vaak ruzie met elkaar hadden, zaten ze nu eensgezind in de lindeboom. ‘We moeten op de berg kruimels aanvallen,’ zei Egbert Ekster. ‘Aanvallen?’ vroeg Wikkie Mus verschrikt. ‘De berg wordt bewaakt.’ Hij viel bijna van angst van zijn tak. ‘Ja,’ zei Egbert kriegelig, ‘Met zijn allen moeten we op de berg aanvallen en alle kruimels meepikken.’ ‘Dat wordt niks,’ zei Wikkie zenuwachtig, ‘we moeten iets anders verzinnen.’ Toen kregen ze weer ruzie.

De mussen zijn een beetje bang voor mensen en waren tegen het plan en de kraaien en de eksters scholden hen uit voor bangerikken. De koolmezen zaten stil te luisteren en de pimpelmezen dachten na over de hele toestand. Krokie Roodborst voelde ook niet veel voor het plan. De spreeuwen gilden tegen hem, maar Krokie bleef dapper bij zijn standpunt. Hij stond op goede voet met de mensen die dol op hem waren en hij wilde geen ruzie met hen.

Juffrouw Duif die door iedereen met juffrouw werd aangesproken, omdat ze niet getrouwd was, deed niet met de ruzie mee. Ze bewaarde haar kalmte zoals altijd. Toen iedereen uitgeruzied was en mokkend voor zich uit zat te staren, nam ze het woord: ‘Beste medevogels van Lindewiek,’ zei ze. Op slag gingen alle vogelkopjes omhoog, waar juffrouw Duif eenzaam op de bovenste tak zat. ‘De mieren gingen dood van de honger en Fleurtje uit de Aricastraat heeft ze gered. Dat was heel lief van haar. De broodkruimels zijn voor hen. Wat over is wordt verkocht in de Kruimelwinkel. Mierenfamilies in de hele omgeving hebben nu ook te eten. Is dat niet prachtig?’ Het was even doodstil. Toen zei Egbert snibbig: ‘Wat kunnen mij die mieren schelen.’ ‘Wat een egoïst,’ vielen de koolmeesjes juffrouw Duif bij, ze vlogen naar de bovenste tak en gingen bij haar zitten. Ook de merels verhuisden naar de bovenste tak. Ze wilden niets met Egbert te maken hebben. Hoe erg ze het ook vonden dat ze geen broodkruimels meer kregen. Het werd weer een denderende herrie.

Opeens gaf Katootje een gilletje. ‘De berg… de berg is weg!’ Verschrikt staarden alle vogels naar het schoolplein. Het was leeg. Ze hadden niet gemerkt dat de kar was volgeladen en al lang op weg was naar de Kruimelwinkel. Dat kreeg je nu van ruzie. Teleurgesteld keek iedereen naar het lege schoolplein. ‘Weet je wat we moeten doen?’ vroeg juffrouw Duif. Het was even doodstil. ‘Als Fleurtje een prachtig plan heeft bedacht voor de mieren, dan heeft ze vast ook een goed plan voor ons, als we daarom vragen.’ Ineens werden ze allemaal vrolijk. ‘Kom we gaan meteen naar de Aricastraat,’ schetterde Egbert. Hij vloog op en iedereen haastte zich de boom uit op weg naar het huis van Fleurtje.

Fleurtje zat thuis in de tuin op de schommel. Ze schrok toen ze opeens een massa vogels op zich af zag vliegen. Oei, zoveel had ze er nog nooit bij elkaar gezien. Ze hield op met schommelen. Het bezoek streek neer midden in de tuin op het grasveld. ‘Wat doen jullie hier?’ vroeg ze. ‘We hebben gehoord dat de broodkruimels nu aan de mieren gegeven worden,’ zei Egbert terwijl hij heen en weer hipte. Fleurtje knikte. ‘Eerst waren ze altijd voor ons, en we willen ze weer terug.’ Alle vogels knikten heftig. ‘Van de winter hebben we die broodkruimels helemaal hard nodig.’ ‘Dat kan dus niet meer,’ zei Fleurtje terwijl ze haar hoofd schudde. Haar vlechtjes dansten op en neer. ‘Hoe hhoe mmoet het dan met ons?’ stotterde Wikkie? ‘Ja hoe moet het dan met ons?’ vielen alle mussen hem bij. Fleurtje begon te lachen. Opeens begreep ze hun problemen. ‘Je zult ook iets voor ons moeten verzinnen,’ zei Juffrouw Duif.’

‘Lusten jullie misschien ook ander eten?’ vroeg Fleurtje ‘We hebben graag wormen,’ zei Mekie Merel ‘Welja, hoe moeten we die verzamelen?’ vroeg het kleine redstertje van de mieren. ‘Wij mensen eten geen wormen, dus die hebben we niet. Maar ik zal voor jullie ook een plannetje bedenken hoor,’ beloofde ze. ‘Hoe dan? Wat dan?’ vroeg Wikkie ‘Tja,’ zei Fleurtje, ‘Ik heb werkelijk geen idee. Eten jullie alleen maar wormen?’ ‘Nee,’ zei, Mekie, ‘ik lust ook stukjes appel. ‘En wij lusten pinda-tjes,’ gilden de pimpelmeesjes ‘En stukjes spek,’ riepen de koolmeesjes, ‘en allerlei zaadjes,’ Juffrouw Duif vertelde dat ze graag duivenzaad bliefde, maar andere zaadjes waren ook welkom. Toen kwetterden alle vogels door elkaar; het werd een heel spektakel. Fleurtje beloofde dat ze zou kijken wat ze kon doen.

Opgelucht gingen even later de vogels ieder naar hun huisjes in de bomen terug. Op dat moment kwam Fleurtje’s moeder nieuwsgierig naar buiten wat dat lawaai van al die vogels te betekenen had. Fleurtje vertelde het hele verhaal. Die avond bedachten ze samen wat ze die winter voor alle vogels zouden kunnen doen. Ze zouden pinda’s kopen en die allemaal aan elkaar rijgen. In de dierenwinkel zouden ze zakjes zaad kopen en daar konden ze vetbolletjes van maken. ‘En morgen moet je dit ook op school vertellen, ‘zei haar moeder,’ Fleurtje knikte. Ze wist precies wat haar te doen stond. ‘En ik moet naar de burgemeester, ‘zei ze. ‘Ja lieverd,’ zei haar moeder. ‘Burgemeester Lindegroen laat vast weer in de krant schrijven dat alle mensen moeten meedoen.’

En zo is het ook gebeurd. Die winter hing in heel het stadje de tuinen vol met het lekkerste eten. Het zag er heel gezellig uit met al die pindaslingers. Alle bomen en struiken hingen helemaal vol met vetbollen die de mensen zelf hadden gemaakt. Ook hadden de mensen hun spaarpotten geleegd en allemaal een vogelhuisje gekocht die vol met zaadjes lagen. En de vogels? Die hadden het nog nooit zo naar hun zin gehad in Lindewiek. En met al dat heerlijke eten hadden ze geen tijd voor ruzies meer. En je moet weten dat vroeger in heel het land in de winter alleen maar broodkruimels aan de vogels werd gegeven.

Lindewiek werd het eerste stadje waar ze pindaslingers gingen maken en Fleurtje en haar moeder hebben de vetbolletjes uitgevonden. Lindewiek werd er beroemd door en nu maken ze ze in heel het land. Ze worden nu zelfs overal kant en klaar verkocht. Dit verhaal hoorde ik toen ik op visite was bij mijn tante in Lindewiek. En ik vond dat ik het op moest schrijven zodat alle kinderen het zouden weten.