De bloem en de vlindertjes

 

In de tuin speelden twee witte vlindertjes. Ze deden tikkertje. Ze hadden zo’n plezier en fladderden steeds achter elkaar aan. Ze dachten niet aan tijd en ze keken niet naar de lucht. Daarom schrokken ze heel erg, toen er ineens dikker regendruppels naar beneden vielen.

Oei, wat deden die druppels pijn op de dunnen, zachte vleugeltjes van de vlindertjes. ‘Kom mee,’ riep het ene vlindertje. ‘Ik zie daar een grote bloem. Daar kunnen we best met ons tweetjes in zitten.’ Meteen vlogen ze er heen en tuimelden over elkaar, om maar zo snel mogelijk binnen te komen.

‘Wie komt mij daar storen, zo laat op de middag?’ bromde de grote bloem. ‘Het is bijna bedtijd.’ ‘Och lieve bloem,’ sprak een van de vlindertjes, laat ons toch binnen blijven. ’t Is zulk vies nat weer buiten. Onze vleugeltjes worden kletsnat.’ De bloem had een spits gezichtje, met boze ogen. ‘Ik vind het niets leuk,’ mopperde ze. ‘Jullie maken al mijn meeldraden nat. Bovendien was ik juist van plan mijn blaadjes te sluiten, want ik wil slapen. Dus vooruit: één, twee, drie, eruit!’

Tja, en toen werden de twee natte vlindertjes weer buiten gezet. Verdrietig gingen ze onder de bloem zitten en keken naar de lucht, die steeds donkerder werd. En het ging steeds harder regenen. Nergens was een goede schuilplaats te vinden. Op den duur begonnen ze luid te huilen.

Toen kreeg de grote bloem toch wel een beetje medelijden met de vlindertjes. Ze opende haar blaadjes weer en riep: ‘Hou op met huilen en kom dan maar zo snel mogelijk binnen. Maar denk erom hoor, dat jullie goed je voetjes op mijn deurmatje vegen.’ Heel blij vlogen de vlindertjes de bloem in, schudden netjes hun vleugeltjes uit en veegden hun voetjes. Ze kregen ieder een zacht stoeltje om op te zitten en toen sloot de grote bloem haar blaadjes weer.

Die nacht bleven de vlindertjes binnen in de bloem slapen. Ze vonden het best leuk en ze sliepen vlug, want de bloem schommelde zacht heen en weer. En daar kregen ze zo’n slaap van. Ze hoorden niet eens meer, dat de bloem welterusten tegen hen zei.

(140)

Post navigation