De drie nietsnutten

 

Er waren eens drie vrienden die van pret maken hielden: een mug, een krekel en een bromvlieg. Aan werken hadden ze een gruwelijke hekel, alle drie. Ze vonden het gewoon onzin om je zo uit te sloven als bijvoorbeeld de bij en de mier. De drie vrienden deden de hele dag niets anders dan zich vermaken. De mug danste onder de bomen. De krekel sjirpte in het gras en de bromvlieg gonsde in de zonneschijn.

‘Het is een schande,’ zei de bij, die voorbijkwam met een vrachtje honing. ‘Jullie zijn echte nietsnutten,’ zei de mier, die een flink stuk aan zijn nest bouwde. ‘Nietsnutten?’ vroegen de drie vrolijke vrienden. ‘Waarom?’ ‘Jullie verdienen geen cent,’ zei de mier zonder op te houden met werken. ‘Jullie kunnen niet eens werken! zoemde de bij. En ze zwoegde alweer verder met haar vrachtje honing in de richting van de korf.

De drie vrienden keken elkaar eens aan. ‘Kunnen we niet werken? Nou, dat willen we dan wel eens laten zien,’ zeiden ze beledigd. Maar ja, wat konden ze eigenlijk doen? Honing halen, net als de bij? Nee! Nesten bouwen, zoals de mier? Ook niet! Graven, sjouwen, draven, bouwen? Ze konden eigenlijk alleen maar pret maken. Maar met pret maken kan niemand een cent verdienen, dat begrepen ze wel.

‘Ik zou misschien viool kunnen spelen,’ zei de mug. ‘Op een viooltje zo klein als een grassprietje. Dat zal wel gaan.’ ‘Dan zou ik er bij op de trom kunnen slaan,’ bedacht de bromvlieg. ‘Op een trom zo klein als een dobbelsteentje.’ ‘En als ik er dan eens kunstjes bij maakte!’ verzon de krekel. ‘Ik kan heel hoog springen, kijken jullie maar!’ En meteen sprong hij wel een meter boven het gras uit. ‘Prachtig, fantastisch!’ riepen de anderen. ‘We vormen een gezelschap! We gaan voorstellingen geven. Meteen beginnen!’

En dat deden ze. De mug speelde op zijn piepklein viooltje. De bromvlieg roffelde op een trom zo klein als een dobbelsteentje. Je weet wel, zo eentje van het ganzenbord! En de krekel danste en sprong in het rond, dat hij er duizelig van werd. Iedereen kwam aanlopen om de voorstelling te zien. En toen de voorstelling afgelopen was, ging de krekel snel met zijn muts rond. Wie niet wilde betalen, sprong hij met zijn lange benen achterna.

‘Tjonge,’ zeiden de drie vrienden, ‘wat zijn we opeens rijk geworden!’ Ze zaten aan de kant van de weg na te tellen hoeveel er in de muts zat. Het was heel veel! ‘Dat moeten we vieren!’ lachten ze. En ze renden naar de eerste de beste speeltuin. De mug met zijn piepklein viooltje onder een voorpoot. De bromvlieg met zijn trom op zijn rug. En de krekel met lange benen natuurlijk voorop.

Ze trakteerden elkaar op limonade met een rietje en op frambozenijs met slagroom. Net zal lang tot al hun geld weer op was. Toen waren ze weer dezelfde nietsnutten als vroeger. En ze vonden het nog leuk ook!

(411)

Post navigation