De torens van Nederland

 

‘Het is niet eerlijk,’ zeiden de torens van Nederland tegen elkaar. ‘Iedereen is met vakantie geweest. De kinderen, de meesters en juffen, de melkboeren, de fietsenmakers en de glazenwassers. Niemand bleef thuis. Alleen de ijsjesman, maar die gaat in de winter op vakantie.

En wij? Wij staan altijd maar op dezelfde plaats. Het is niet eerlijk. ‘Ik wil wel eens iets anders zien dan koeien en gras,’ riep een bijdehand torentje ergens uit de polder. ‘En ik ben uitgekeken op die kersenbomen,’ zuchtte een torentje uit de Betuwe. ‘En wij dan?’ bromden de torens uit Amsterdam. ‘Doodmoe worden we van het razende verkeer om ons heen. Om niet te spreken van de flikkerende lichtreclames ’s avonds!’

‘Laten wij het er ook eens van nemen,’ stelde een aardige toren met een zwerm duiven om zijn hoofd voor. ’t Hoeft geen grote reis te zijn. Al maken we maar een wandeltocht dwars door Nederland!’ ‘Fantastisch,’ riepen de andere torens. ‘Dat doen we!’ Een paar oudjes vonden het plannetje niet zo geweldig, maar na een poosje wenden ze aan het idee. Uiteindelijk waren ze net zo opgewonden als de anderen. Ze gingen dus!

Ze spraken af om ’s avonds te gaan. Dan sliep iedereen en was er geen verkeer op de weg. Het werd dus een nachtwandeling. En zo kwamen op zaterdagavond alle torens bij elkaar. De Munt, de Wester, de Dom, de Martini, de Laurens, de Lange Jan en de Sint Jan. En verder nog een lange rij van Nederlandse torens, grote, kleine stompe en spitse, oude en moderen. Torens met koepeltjes en weerhaantjes, met slierten klimop en plakken mos.

De grijze Dom nam de leiding. Niet om de baas te spelen, o nee! Maar iemand moest de leiding nemen en zorgen dat de wandeltocht goed verliep. En dat lukte. Het werd een heerlijke tocht door bos en duin, over heide en weide. Ze hielden er flink de pas in. In het begin waren ze nog wat stijf. Ze hadden ook zo lang stil gestaan! Maar al gauw ging het beter.

De grote toren liepen voorop. De kleintjes daarachter. Af en toe bleven ze wat achter omdat ze het leuk vonden om met elkaar te spelen. Dan moesten ze weer hard rennen om bij de groep te blijven. De maan keek verbaasd naar beneden. Zoiets had hij nog nooit gezien. De hele nacht wandelden ze door. En niet één toren klaagde over vermoeidheid. Omdat ze zoveel plezier hadden, vergaten ze de tijd helemaal.

Toen de eerste haan kraaide schrokken ze zich een hoedje. Wat het alweer zo laat? Dan moesten ze allemaal opschieten! Samen begonnen ze te rennen. Ze maakten er een wedstrijdje van! Gelukkig was het mistig die morgen zodat ze toch nog ongezien thuis konden komen. Een klein torentje kon nog maar net op tijd op het dorpsplein zijn. Maar hij haalde het. Al stond zijn koperen haantje nog een beetje scheef van het haasten.

‘Wat luiden de klokken vreemd vanmorgen. Het lijkt wel of ze buiten adem zijn,’ zeiden de mensen tegen elkaar. Ze hadden eens moeten weten, dat de torens stiekem een wandeltocht hadden gemaakt…

(258)

Post navigation