Kortstaartje

 

Ik ben een muis en ik heet Kortstaartje. Wat een rare naam hè? Vroeger heette ik geen Kortstaartje hoor. Toen heette ik Langstaartje, omdat ik de langste staart had van allemaal. Zal ik eens vertellen waarom ik nu Kortstaartje heet? Dat is een heel verhaal. Luister maar.

Ik woon in een winkel, in de winkel van een kruidenier. Nee, natuurlijk niet in de winkel zelf! Daar zouden de mensen me zien en dan zouden ze me vast en zeker vangen. Ik woon in en gat onder vloer. Daar wonen we al heel lang. Mijn opa woonde er ook al. Daar is ons huis. Het huis van mijn vader en moeder, van mijn twee broertjes, Appie en Eppie, en van mij.

Iedere morgen staan mijn vader en moeder heel vroeg op. Dan gaan ze eten halen, in de winkel. Ze nemen ook altijd wat voor ons mee; een stuk kaas, een stukje wordt of een beetje rijst. Maar wij mogen nooit buiten het gat komen. ‘Dat is heel gevaarlijk,’ zegt mijn vader, ‘de mensen zouden je kunnen vangen, want die houden niet van muizen! Die zeggen dat wij alles opeten.’

Vader is een keertje bijna gevangen, door de poes. Die woont ook boven. Hij had vader bijna te pakken, maar vader kon nog net weghollen. Daarom wil hij niet dat wij meegaan naar de winkel.

Maar één keer ben ik ongehoorzaam geweest. Ik was er zo nieuwsgierig naar hoe het eruit zou zien in de winkel. Toen ben ik stilletjes weggelopen. Niemand merkte het. Mijn hart bonsde en ik was wel een beetje bang. Ik moest door een nauw, donker gangetje kruipen, en toen was ik in de winkel. Het was er heel stil. Er was niemand. Ik keek om me heen. Wat lagen daar een lekkere dingen!

Ik zag een heleboel kaas liggen en er stonden zakken waar vast ook wel lekkers in zou zitten. Eerst at ik een heleboel kaas. Heerlijk! Toen maakt ik een gaatje in één van de zakken. Ha, daar zat rijst in! Ik ben dol op rijst en ik heb er heerlijk van gesmuld. Naast mij kwam een heel bergje rijstkorrels te liggen. Die kwamen allemaal door het gaatje rollen.

Toen ging opeens de deur open. Ik zou weghollen, maar ik schrok zo, dat ik me niet meer kon bewegen. Er kwam een man binnen. Ik was doodstil , maar hij zag me toch. ‘Zo, muizen!’ zei hij. Hij kwam naar me toe. Ik nam een hele grote sprong en holde de winkel uit, de gang in. Achter me aan hoorde ik die man hollen. Ik renden en rende. Aan het eind van de gang stond een deur open. Ik holde naar binnen, de keuken in. Gelukkig stond de buitendeur open. Ik was zo bang!

Toen sprong ik van angst in de vuilnisbak die openstond. Bom! Meteen werd de deksel achter me dichtgedaan. Daar zat ik. Gevangen! Wat was het donker en benauwd in die vuilnisbak! En wat was ik bang! Was ik maar bij mijn vader, moeder en broertjes gebleven. Had ik maar naar vader geluisterd. Nu was het te laat. Maar weet je wat er toen gebeurde? De deksel van de vuilnisbak ging een klein eindje omhoog. Een jongetje gluurde naar binnen.

Toen nam ik een reuzensprong. Het jongetje klapte de deksel weer dicht, maar het was al te laat. Ik was eruit. Ik was vrij! Alleen was ik het puntje van mij staart kwijt. Ik ben weer teruggehold naar de winkel, het gat weer in. Wat waren ze thuis bang geweest! Vader heeft erg op mij gebromd. En mijn lange staart, waar ik zo trots op was, is nu lang niet meer zo mooi. Het is een raar, kort staartje geworden. En daarom noemen ze me nu geen Langstaartje meer, maar Kortstaartje!

(765)

Post navigation