Oversteken

De brug is weg, de brug is weg!
Aan de kant van de sloot heeft zich een menigte verzameld.
Mieren, het lieveheersbeestje, de tor en de sprinkhaan zien
hoe het laatste stukje brug door de stroom wordt meegevoerd.
Het komt door de regen, bromt de sprinkhaan.
Hoe moet ik nou naar de overkant? vraagt de mier bezorgd.
Gewoon, springen, antwoordt de sprinkhaan.
In een sprong is hij aan de overkant.
Hij schreeuwt iets onverstaanbaars.
Maar niemand hoort hem door het kolkende water.
Het lieveheersbeestje vliegt weg.
Ze durft niet over de sloot te vliegen.
En ik dan, roept de mier.
En ik, en ik, roepen de andere mieren.
Ook de tor vraagt zich af hoe hij aan de overkant moet komen.
Hij heeft een dringende afspraak en hij is al laat.
Daar komt de spin aan.
Met haar lange poten stapt ze over de sloot.
Vier poten staan aan de overkant.
Vier poten staan tussen de mieren.
De rest van de spin hangt boven het water, precies in het midden.
Ze kijkt naar links, ze kijkt naar rechts.
Ze kijkt tussen haar poten door naar achteren en weer naar voren.
Ik ben een brug, zegt de spin verbaasd. Wat leuk.
Ha, een brug, roept een mier.
Opgetogen beklimt hij een van de pijlers.
Ik ook, ik ook, juichen de andere mieren.
De overtocht kietelt vreselijk maar de spin houdt stand.
Wil jij ook? vraagt ze aan de tor.
Nou graag, antwoordt de tor dankbaar.
Aan de overkant schreeuwt de sprinkhaan weer.
Wat zegt hij toch? vraagt de spin.
Hij waarschuwt dat de slak onderweg is, roept een mier die de overkant bijna bereikt heeft.
Even later heeft de slak de brug bereikt.
Op de tast zoekt hij een pijler.
Pas op! Niet doen, schreeuwt de sprinkhaan. Maar het is te laat.
Traag glijdt de slak omhoog.
Zijn huis is zwaar.
Als de slak eindelijk boven is, zucht hij: Vijf minuutjes rust.
Maar dat houdt de spin niet vol.
Al na een halve minuut zakt ze door haar poten.
Haar buik hangt in het water, golven slaan over haar kop.
Er Af, gilt de spin. Maar de slak zit in zijn huisje en hoort niets.
ER AF, ER AF!! gilt de spin weer.
Het is te laat. De volgende golf duwt de spin omver.
Daar ligt ze, op haar zij, aan de overkant.
Het huis van de slak is door de klap losgeraakt.
Het rolt de sloot in en wordt meegevoerd door de stroom.
Een heel eind verderop spoelt het aan.
De slak komt naar buiten. Zijn kop zwaait heen en weer.
Ben ik al aan de overkant? roept hij.
NEE, antwoorden de dieren luid. De brug is kapot!
Dan blijf ik binnen wachten tot de brug gemaakt is, zegt hij boos.
Maar dat kan nog lang duren want de brug is zojuist weggewandeld.
Leve de spin, hoort de slak roepen in de verte.
Drie hoeraatjes voor de spin!
De slak begrijpt er niets van. Wat heeft de spin ermee te maken?
Koppig zit hij in zijn huisje en wacht…en wacht….en wacht.

Post navigation