Zomaar bellen

 

Het regen pijpenstelen. Lila en Blue vervelen zich en zitten op de bank. ‘Wat gaan we doen?’ vraagt Lila. Blue haalt zijn schouders op. Hij zit verveelt met de veter van zijn schoen te spelen.
‘Zullen we gaan bellen?’ vraagt Lila. ‘Ja leuk,’ zegt Blue, ‘maar wie?’ ‘Zomaar iemand,’ zegt Lila. Lila en Blue lopen naar de telefoon. ‘Mag ik eerst?’ vraagt Lila. Dat vindt Blue goed. Lila drukt wat knopjes van de telefoon in en wacht. ‘Met mevrouw Haring,’ klinkt het aan de andere kant van de lijn. ‘Mevrouw Haring?’ giechelt Lila. ‘Blue!’ roept ze, ‘deze mevrouw heet Haring.’ Blue trekt de hoorn uit Lila’s handen. ‘Dag mevrouw Haring,’ zegt hij, ‘ik ben meneer Paling.’ Tuut tuut tuut. Mevrouw Haring heeft opgehangen.
Maar Lila en Blue laten zich niet ontmoedigen. ‘Nu ben ik,’ zegt Blue. Hij toetst wat knopjes in. Na een tijdje hoort hij: ‘Eén goedemiddag, dierenwinkel Krabpaal.’ ‘Dag meneer Krabpaal,’ zegt Blue. Lila moet lachen. ‘Ik heet niet Krabpaal, zo heet mijn dierenwinkel,’ zegt de man. ‘Oh,’ zegt Blue, ‘zeg dat dan. Dag meneer dierenwinkel. Hoe gaat het met u?’ ‘Goed,’ zegt de man, ‘en met u?’ ‘Ook goed,’ zegt Blue. ‘Hoe gaat het met de dieren?’ ‘Goed,’ zegt de man. Blue legt neer, dit wordt hem te saai. ‘Nu ben ik,’ zegt Lila enthousiast. ‘Ik weet iets leuks.’ Lila drukt een nummer in en wacht een tijdje.
‘Met mevrouw Kietelgraag,’ klinkt het aan de lijn. Lila heeft moeite haar lach in de houden, maar het lukt haar toch. ‘Dag mevrouw, u heeft een prijs gewonnen,’ zegt ze. ‘NEEEEEEEEE!’ klinkt het aan de andere kant van de lijn. ‘Echt waar,’ zegt Lila. ‘U gaat op reis.’ Blue giechelt. ‘Waarnaar toe?’ vraagt de vrouw nieuwsgierig. ‘Naar Hulliebruk,’ zegt Lila. ‘Hulliebruk… toe maar, daar heb ik altijd al heen willen gaan,’ zegt de vrouw. ‘Ze trapt erin,’ fluistert Lila tegen Blue. Maar dan komt moeder binnen. ‘Wat zijn jullie aan het doen?’ vraagt moeder. Lila houdt de hoorn van de telefoon achter haar rug en zegt: ‘Niets!’ Moeder loopt naar Lila toe en trekt de hoorn uit haar hand. ‘Hallo,’ zegt moeder tegen de telefoon. Daarna zegt ze allemaal dingen als: ‘Nee toch… die rakkers… het is weer zo ver… neem me niet kwalijk voor de overlast… dag mevrouw Kietelgraag.’
‘Naar jullie kamer!’ roept mama boos. ‘Je mag nooit zomaar mensen bellen!’ Lila en Blue gaan naar hun kamer.
‘Het was toch leuk,’ zegt Lila. Dat vindt Blue ook.

(921)

Post navigation